Wereldwijd neemt de ongelijkheid toe, en dat zowel bij de verdeling van de inkomens als bij de verdeling van de vermogens. Dat is een statistisch feit.
Er woedt hier en daar nog een achterhoedegevecht over punten en komma’s, maar de ontkenners van de toenemende ongelijkheid vallen in dezelfde categorie van malloten als de creationisten: ze ontkennen een overvloed aan wetenschappelijk bewijs ter meerdere eer en glorie van de ideologie waar ze tot elke prijs wensen aan vast te houden.
Hoewel België het inzake herverdeling beter doet dan vrijwel alle andere landen – ook dat is een statistisch feit – is ook in ons land de ongelijkheid al decennia aan een remonte bezig. De echte vraag is wat we van die toenemende ongelijkheid moeten vinden.
Sommige economische theorieën stellen dat een zeker niveau van ongelijkheid de welvaart bevordert, omdat ongelijkheid de kapitaalaccumulatie vergemakkelijkt en zo, via hogere investeringen, leidt tot meer economische groei. Die theorie snijdt hout voor een groot deel van Afrika, Latijns-Amerika en belangrijke delen van Azië, omdat de accumulatie van fysiek kapitaal erg belangrijk is in de vroege ontwikkelingsfase. Welvarende landen die de fase van vroege industrialisatie al lang voorbij zijn, merken echter dat een verdere welvaartstoename niet langer afhangt van de accumulatie van fysiek kapitaal, maar eerder van de accumulatie van menselijk kapitaal. En laat ongelijkheid daarbij nu net de grootste hinderpaal zijn.Ook de Amerikanen zullen de ongelijkheid moeten corrigeren willen ze hun welvaartsgroei behouden. Misschien kan dat de Zweedse coalitie inspireren om armoede en ongelijkheid meer dan een voetnoot te geven in het regeerakkoord.
De invloed van ongelijkheid op de economische ontwikkeling hangt dus af van de ontwikkelingsfase van het land. Te veel gelijkheid kan maken dat een land nooit voldoende kapitaal accumuleert om tot industrialisatie te komen. Te veel ongelijkheid kan er dan weer toe leiden dat een land na de aanvankelijke industrialisatie in zijn ontwikkeling blijft steken, omdat de ongelijkheid de vorming van menselijk kapitaal belemmert. Een sterk toenemende ongelijkheid is daarom bijzonder nefast voor landen in een verregaand stadium van ontwikkeling zoals het onze. Behalve ethische redenen is dus ook goed begrepen eigenbelang een belangrijke motivatie om de ongelijkheid in het rijke Westen binnen de perken te houden.
Ook gelijke kansen voor vrouwen zijn in dat licht erg belangrijk. De mechanisering van de arbeid in de eerste fase van de industrialisatie maakt fysieke arbeid in latere ontwikkelingsfases steeds minder belangrijk en soms ronduit overbodig. Bijgevolg neemt de vraag naar vrouwelijke geschoolde arbeid sterk toe, vragen vrouwen steeds meer scholing, en gaan steeds meer vrouwen buitenshuis werken. Dat leidt op zijn beurt tot een lagere fertiliteit en tot minder maar beter geschoolde kinderen. Er ontstaat een positieve welvaartsspiraal van vrouwenemancipatie, een verhoogde vraag naar geschoolde arbeid, een lagere fertiliteit en verdere accumulatie van menselijk kapitaal.
Deze positieve spiraal kan er maar komen als de verdeling van inkomen en vermogen niet te ongelijk zijn. Landen waar de grondeigendom en de controle over natuurlijke rijkdommen sterk geconcentreerd zijn in de handen van een paar families hebben ook een lagere scholingsgraad. De overheid van dergelijke landen investeert weinig in scholing omdat de heersende elite haar privileges wil behouden. Ook de bevolking wil niet te veel investeren in scholing. De opbrengsten van scholing zijn, gegeven de ongelijke vermogensverdeling, eerder gering.
Daarom houdt de initiële ongelijkheid die landen gevangen in een val van lage scholing en lage welvaart. Er is overschot van bewijs dat herverdelende, maar geweldloze landhervormingen een positieve welvaartsspiraal op gang kunnen trekken. Zuid-Korea en Japan gaven vroeger al het voorbeeld. Afrika en Zuid-Amerika kunnen daaruit lessen trekken.Een positieve welvaartsspiraal van vrouwenemancipatie, een verhoogde vraag naar geschoolde arbeid, een lagere fertiliteit en verdere accumulatie van menselijk kapitaal kan er maar komen als de verdeling van inkomen en vermogen niet te ongelijk is.
De Verenigde Staten ontsnappen, ondanks de erg ongelijke verdeling van welvaart en inkomens, voorlopig nog aan deze welvaartsval. De natuurlijke rijkdommen zijn er redelijk breed verdeeld en er is een goed uitgebouwde kapitaalmarkt. Daardoor is het in de VS nog steeds relatief interessant en gemakkelijk om te investeren in scholing en om te ondernemen. Bovendien trekken de beste universiteiten in de VS toptalent aan uit de hele wereld, waardoor het land kan genieten van de investeringen in basisscholing die gebeuren in de rest van de wereld.
Die strategie werkt tot nog toe voor de VS, maar ze kan maar blijven werken indien niet al te veel landen dat voorbeeld volgen. Bovendien lijkt het er na de financiële crisis op dat de kapitaalmarkt minder goed werkt dan gedacht en is de sociale mobiliteit in de VS spectaculair gedaald.
Ook de Amerikanen zullen de ongelijkheid moeten corrigeren willen ze hun welvaartsgroei behouden. Misschien kan dat de Zweedse coalitie inspireren om het luik armoede en ongelijkheid meer dan een voetnoot te geven in het regeerakkoord.