Column

Overheid moet leren streep te trekken onder mislukkingen als Electrawinds

De teloorgang van Electrawinds is een proeve van uitzonderlijke incompetentie. Maar evenzeer van te veel politieke inmenging en van misplaatste angst bij de overheid voor mislukkingen.

Electrawinds hangt definitief in de touwen. Het is in belangrijke mate het klassieke verhaal van ondeugdelijk bestuur. De leiding van het bedrijf gedroeg zich jarenlang alsof de bomen tot in de hemel groeiden, nam overmatig veel operationele en financiële risico’s, had te weinig aandacht voor operationele efficiëntie, en voor de opvolging en de afwerking van haar onoverzichtelijke kluwen projecten, en was even transparant over haar verplichtingen als een mistige Noordzeezandbank in het diepst van de nacht.

Electrawinds gedroeg zich als was het Google of Facebook, internetgiganten waarbij zo snel mogelijke groei bijna automatisch tot succes en winst leidt. Dat bleek al bij Enfinity, die andere West-Vlaamse groenestroomreus op lemen voeten, niet het geval. Maar daar was de aandeelhouder nog zo eerlijk om zijn zieltogende bedrijf voor een symbolisch prijsje door te verkopen aan nieuwe investeerders. Op zoveel goede bedoelingen moeten we bij Electrawinds niet hopen. De finale uitkomst is nog niet helder, maar het is duidelijk dat Electrawinds zo goed als failliet is.

Dat is eigenlijk een straffe prestatie. De sector van de groene energie wordt in Vlaanderen uitzonderlijk zwaar gesubsidieerd. Dat gold zeker voor zonne-energie en geldt nog steeds voor windenergie en biomassacentrales. De overheid draagt een groot deel van de investeringskosten. Zodra de windmolens met zware subsidies geïnstalleerd zijn, draaien ze met behoorlijk lage kosten. Je moet bijna enkel het onderhoud van de installaties terugverdienen.

Bovendien kon Electrawinds zijn onlesbare dorst naar middelen voor internationale expansie steeds opnieuw laven aan de vele tepels die de Vlaamse overheid het bedrijf presenteerde in de vorm van kapitaalinjecties, leningen en garanties allerhande. Dat het huidige management van Electrawinds er, ondanks al die gulle overheidsinjecties, toch in geslaagd is het loodje te leggen, is een proeve van uitzonderlijke incompetentie.

Dat de heer Desender en de aandeelhouders rond hem dat maar niet lijken te snappen en blijven geloven in reddingsplannen die vooral hun redders financieel uitkleden, is daarvan de ultieme illustratie. Daarom bestaat de kern van een mogelijke redding uit een volledige herstructurering van Electrawinds en een abrupte vervanging van het management. Met dit team kan niemand verder. Van boer Desender geen eieren meer. Als dat moet gebeuren via een procedure binnen de wet op de continuïteit, dan moet dat maar.

Ook de overheid kan lessen trekken. Een klein aantal bedrijven zoals Electrawinds trekt een onevenredig groot gedeelte van de overheidsmiddelen naar zich toe, terwijl daar dikwijls maar weinig jobs of nieuwe technologie tegenover staan. Dat heeft allicht te maken met te veel politieke inmenging bij de toewijzing van de middelen, maar zeker ook met de misplaatste angst van de overheid voor mislukkingen. Als je investeert in nieuwe technologieën is het normaal dat er eens iets mislukt. Net daarom is het nodig dat de overheid nieuwe, onzekere technologieën stimuleert.

Maar de overheid trapt al te vaak in de val van falende bedrijven bijkomende middelen toe te stoppen in een poging het mislukte project onder de mat te vegen of alsnog recht te trekken. Daardoor verdwijnt te veel goed geld in het zwarte gat van slechte projecten. Dat gebeurt onder meer omdat de verschillende overheidsfondsen de neiging hebben elkaar in het bad te trekken bij slechte projecten. Ze lijken uit te gaan van het oude adagium dat gedeeld leed half leed is. Maar in deze is gedeeld leed gewoon dubbel leed. De overheid moet daarom leren een streep te trekken onder mislukkingen en om haar middelen te richten op de potentiële successen in plaats van de zekere verliezers. Dat kan door elkaar te betrekken bij het financieren van successen, zodat gedeeld succes dubbel succes wordt.

Daarnaast is er het meer fundamentele probleem dat groene energie op een kruispunt staat, waardoor ook goed bestuurde energiebedrijven in de problemen dreigen te komen. Onze stijgende groene energieproductie hangt immers grotendeels af van oncontroleerbare omstandigheden. Daardoor produceren we dikwijls groene energie wanneer we ze niet nodig hebben en dus tegen minimumprijzen, terwijl we toch de klassieke gascentrales in stand moeten houden om ook op donkere windstille momenten aan de vraag te kunnen voldoen. Die gascentrales zijn broodnodig, maar omdat ze steeds vaker niet draaien worden ze steeds minder rendabel. Een erg dure toestand.

Het onderliggende probleem is dat we in een mossel-noch-vissituatie zitten. We hebben steeds meer groene productie, maar nog steeds een klassiek energiesysteem. Wat we nodig hebben zijn meer flexibele biomassacentrales, een slim elektriciteitsnetwerk dat de energievraag verschuift naar momenten waarop er meer goedkope productie is, betere connecties tussen de Europese deelmarkten voor elektriciteit en een massale elektrische mobiliteit die als flexibele opslag van energie kan fungeren. Dan is de groene revolutie misschien betaalbaar.